End of an era
Phóenix semper pérvivet

Mulder, Jan Stats

Jan Mulder, ex-voetbalvedette en columnist over het warme gevoel voor Anderlecht: "Dat is ouwemannentaal, joh. Dat is meneer Steppé in dat oude bureau, dat is de conciërge, dat is het tennisveldje waar ik op trainde, dat is die oude gevel van het stadion. En Michel Verschueren is voor mij meer de fysiektrainer van vroeger dan de ziel van Anderlecht. Maar dank zij die Verschueren staat Anderlecht wel aan de top. Virtuoos gedaan!"

Jan Mulder, schrijver, serieus in het onserieuze, zoals hij zelf zegt. Maar dit is wel ernstig: "Het bestuur liet in de statuten van de bond opnemen dat de clubkleuren van Anderlecht wit moesten zijn in plaats van paars. Dat is twintig jaar geleden gebeurd, maar ik slaap er nog steeds slecht van. En die gekke, witte blokken tegen de schouders: wat doen die daar toch?" Het clubgevoel, daar gaat het om, "hoewel het clubleven op Anderlecht natuurlijk 0,0 is." Het moet in jezelf zitten. "Ik denk niet de hele dag met kippenvel aan Anderlecht, maar het is wel zo dat ik nooit kan beledigd worden door iemand van Anderlecht. Elke suppoost mag mij schofferen, de weg versperren, het stadion uitjagen en mijn gevoel voor Anderlecht zal niet veranderen. De liefde voor die club zit in mij. Al is het nu een multinational met bestuurders die een zware zakelijke verantwoordelijkheid hebben en dus over minder tijd beschikken voor menselijke contacten."

"Ik zag laatst hoe Vanden Stock en Verschueren Rob Rensenbrink na jaren weer eens terugzagen. De begroeting duurde dertig seconden. Pierre Hanon was erbij en kon zijn ogen niet geloven, hij zei nog dat het halve stadion van Rob was. Sommige oud-spelers doet zoiets pijn, maar ik heb er totaal geen last van. Ik ga ervan uit dat de heren Vanden Stock en Verschueren op dat moment andere dingen aan hun hoofd hebben. Ingewikkelde transferbesprekingen met een Braziliaan, of grote moeilijkheden met een eerste-elftalvedette van nu, en dus eventjes de nostalgie met betrekking tot Rob laten voor wat ze is. De volgende keer doen ze dat vast beter. Vanden Stock en Verschueren hoeven niet te bewijzen dat ze over het ware Anderlecht-hart beschikken. Ik begrijp heus wel dat meneer Constant mij niet voor elke verjaardag bloemen stuurt (lacht). Weet je wie zo'n bijeenkomsten van oud-spelers zou moeten organiseren? Die Paul Courant. Joost mag weten wat hij daar doet, maar dat zou hij kunnen. Courant hééft dat. Verschueren heeft daar geen tijd voor, voor elke wedstrijd moet die met honderd mensen handenschudden. Hij is een PR-man. Hij moet ook elk jaar kampioen worden, dat brengt fortuinen op. Maar voor mij mag Anderlecht best een keer zesde eindigen. Ach, voor mij blijft Anderlecht iets ondefinieerbaars... Steppé, Roosens, Mettens... madame Mettens niet te vergeten... Ik heb haar laatst nog gezien, ze ziet er nog altijd geweldig uit. Dat is Anderlecht. Die middagen met Rie en Lisette Meert in hun café, voetbal op zondagmiddag om drie uur, in de herfst, mooi klassiek, Van Himst, Jurion, Hanon... dat is Anderlecht."

Maar Jan Mulder was ook Anderlecht, tussen '64 en '72. Hij moest daar wel terechtkomen, "toen ik zeven was, wist ik dat ik in grote stadions zou voetballen." En dus haalde de Belgische topclub de robuuste, snelle en technisch vaardige spits op zijn negentiende weg uit het verre Windschoten, nabij Groningen. Anderlecht, dat was toen voor hem nog magische zwart-wit-televisie. "Nu zie je elke wedstrijd in Europa. Toen had een club als Anderlecht nog iets mythisch. Jurion die een goal maakte tegen Real Madrid, dat had iets exotisch." En daar kwam dat jongetje van Windschoten. Alles was anders, "zelfs de treinen." Maar dan lag ginds: het droomveld van Anderlecht. "Ik wist meteen: dit is het. Echt hoor, een fantastische grasmat. Goed kort, een échte middenstip, niet zo'n gruwelijk kruis. Ik vind het nog leuk om er een keer op te lopen. Dat is echt niet zo sentimenteel, ik geniet daarvan." Hij zou nu nog de tuinman van Anderlecht willen worden: "Kijken of er moet bijgezaaid worden in het strafschopgebied."

De Oostendenaars zaten er, Wilfried Puis en Laurent Verbiest. Paul Van Himst ook. Stérren. "Waar ik een soort gezonde bewondering voor had. Maar ik voelde mij meteen ontzettend thuis. Het zal heel gek klinken, maar dat kwam ook door dat Brusselse dialect. Dat lijkt een beetje op het Gronings." En Brussel werd zijn stad. "Ik heb er mij nooit een provinciaal in de grote stad gevoeld. Maar vergis je niet, Anderlecht is een dorpsclub, de boerenbuiten. Ik was de grote stad, om je de waarheid te vertellen (lacht). En le tout Bruxelles kwam zich gewoon verlustigen aan die boerenzoons. Serieus, als Anderlecht een chique club mag worden genoemd is dat alleen dank zij het schitterende voetbal van Hanon, Jurion, Van Himst, Lozano, Jean Cornelis, de linksback uit Dworp met de verfijnde touche de balle... Maar dat zogenaamde instituut, dat bestaat niet." An-der-lecht, het sprookje, bestaat wel. "Ik vond die naam altijd beeldschoon. Ik vind het nog steeds een mooi idee dat mijn zoons zijn geboren in Anderlecht." En de latere clubdokter Malvaux was toen al gynaecoloog. Grijnzend: "Dat kan hij misschien beter... Maar met Youri was het eerst niet goed, hoor. Helemaal blauw was hij. Jacques was daar niet erg snel, moet ik zeggen. Het kindje had zuurstoftekort en soms meen ik dat in onoverzichtelijke situaties in het strafschopgebied waarbij je snel moet reageren nog wel eens aan hem te zien."

De geboorte van de kinderen, het sterven van zijn vader: het lag allemaal dicht bij Anderlecht. "Het was die halve finale van de Jaarbeursstedenbeker, tegen het Inter van Mazzola, Suarez, ... Thuis 0-0... Of neen, 0-1. 's Maandags bij het vertrek voor de terugwedstrijd in Zaventem kwam Edouard, de délégué, bij mij. Johanna is daar, zei hij. En die zei: je vader is overleden. Toen ben ik niet meegegaan, ze wonnen met 0-2. Twee goals van mijn vervanger, Bergholtz. 's Zaterdags werd mijn vader begraven, trainer Sinibaldi belde mij op in Windschoten, hij zei dat ik 's zondags, tegen Daring, geloof ik, niet hoefde te spelen. Maar ik wilde wel. Kom dan maar, zei hij. Op zondagochtend ben ik dan heel vroeg vertrokken, dat was toen nog een uur of zeven rijden. Maar toen ik in Huizingen op de bespreking kwam, had hij mij niet opgesteld. Bergholtz moest spelen. Ik zei: dan had ik beter nog een dag bij mijn moeder kunnen blijven. En: ik ga weg, je ziet mij nooit meer. Ik ben toen naar César en Jeanine gegaan, waar mijn kinderen bleven. Om twaalf uur 's middags kwam Sinibaldi mij daar bezoeken, dat kan toch niet, zei hij. Ik zei: ik wil spelen, ik ben hier verreweg de beste speler, sodemieter op, zeg (lacht). En toen mocht ik toch meedoen. Gevolg: Gerard woedend. Het zit mij eigenlijk nog steeds een beetje dwars."

In negen jaar tijd won de Nederlander vijf landstitels en twee Belgische bekers. In 1970 speelde en verloor hij de finale van de Jaarbeursstedenbeker, tegen Arsenal. "Dat was mijn topjaar. Toen was ik goed." Maar hij was niet die speler die het elftal optilde. "Dat kon eigenlijk alleen Rensenbrink. En misschien Van Himst. Ik was nét niet. Ik was een goede midvoor, maar ik had niet die wereldklasse. (streng) Maar ik kon wel meer dan Arie Haan, bijvoorbeeld, hoewel onze erelijst niet te vergelijken is. (kwaadaardig) Neen, Arie is een Ajacied. Ik ben de Nederlander met het meeste paarswitte bloed. Dat voel ik ook. Het is mijn plicht dat de wereld rond te dragen." De beste centerfore die Anderlecht ooit had, zegt Vanden Stock. Het publiek mocht die Hollander wel. Trots: "Omdat ik er nooit de kantjes afliep. Maar ik had geen vedettestatus. Nu is dat mode, maar ik trok nooit naar supportersclubs. Dat is niet goed, er moet afstand zijn tegenover de supporters. Ik was ook niet zo bijdehand met de pers, ik was echt bescheiden, een beetje suf zelfs. Ik was niet zoals Tom Nordahl, die vond ik een slijmbal. Hoewel dat goed is voor de PR van de club, natuurlijk."

"Ik was vaak een opgewonden standje, maakte ruzie, liep dan weg. Daar heb ik nu spijt van. Ik had niet altijd gelijk, denk ik. Daarom ook was ik niet eens uitgenodigd op het afscheidsfeestje van Sinibaldi. Een heel charmante man. Hij hield van voetbal, geen ingewikkelde dinges, een sieraad voor het voetbal. Maar hij verafschuwde mij. Ik denk nog vaak aan hem, ooit schrijf ik hem nog een keer een schone brief. Ondertekend: Uw oud-speler, J. Mulder. Uw liefhebbende oud-middenvoor (lacht). Maar dan heb ik toch weer de reflex niet doen. Laat maar alles zoals het was. Draag het als een man! En als ik hem ooit nog een keer tegenkom laat ik wel merken dat ik verstandiger ben geworden (grijnst). Ja, in de kleedkamer had ik een grote bek. Ik zeurde altijd maar. Neen, ik was geen leider maar... (na diep nadenken) het scheelde toch niet veel. Ik had wel een soort redelijk sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, en dan zei ik wel eens wat. Of dat nou tegen Van Himst of Jurion inging, dat maakte niet uit."

Uit die kleedkamer haalt hij zijn mooiste herinneringen. Fernand Beeckman, met zijn halve, Franse kwakzalverachtige middeltjes. "Kaasstolpen op je rug tegen bronchitis. Ik weet nog die keer dat Serge Reding, die was toen bijna wereldkampioen gewichtheffen, op zijn buik op Beeckmans massagetafel lag, met wel dertien stolpen met daaronder brandende kaarsen op zijn rug. Fantastisch!" Een beetje verder masseur Jean Bauwens. Jean-le-miracle. "Na de massage sloeg hij elke keer als met een stemvork op je bil. Twee vandaag! (gniffelt)"

En dan de wedstrijden. Uit de beker gewipt door Daring. "Zoals Sinibaldi toen keek. Ik herinner me dat ik hem de ochtend na de tragedie in de gang tegenkwam. Hij bleef op tien meter afstand van me staan en trok wanhopig de schouders op. Ik kon wel huilen. Op een dergelijk moment was er in trainer en speler toch wel een groot clubgevoel hoor, we waren meer dan werknemers die veel geld verdienen in een bedrijf dat hun overigens niet onsympathiek is."

Voor het eerst naar Sint-Truiden. "Raymond Goethals was er trainer, Ik keek mijn ogen uit, ik moest echt nog wennen aan dat agressieve tegen Anderlecht." En dan Beerschot: "Erg, erg, erg." Standard: "Die Rouches. Vreselijk. Altijd een minderwaardigheidscomplex." Maar hij stond bij Anderlecht: "Goed geplaatst. Ik word benijd. Ik sta op een voetstuk."

Na negen jaar mocht hij eraf. Ajax, waar Kessler trainer was, trok. 'Vanden Stock zei nog; trainers zijn passanten, spelers moeten blijven. Ik had moeten luisteren, dan had ik mijn hele leven voor Anderlecht kunnen spelen. Dan was ik zuiver gebleven (lacht). Niet dat ik het een emotioneel afscheid werd. Het was meer van: dat was het dan. Ik was ook niet het type voetballer waar de mensen in tranen afscheid van namen."

Bij Ajax zou de veelgeprezen midvoor wegens een slepende knieblessure nooit meer hetzelfde niveau halen, en in '75 werd hij medisch afgekeurd. Waarop hij heel snel in de schrijverij belandde. 'De Tijd' vroeg hem een stukje te schrijven over zijn gedwongen afscheid en hij leek aanleg te hebben om een gedachtegangetje op papier te zetten. Twintig jaar later is de ex-voetballer in Nederland en Vlaanderen een geëerd columnist. En de schrijver is niet meer zo'n zeurkous. Fier: "Ik ben in mijn voordeel veranderd. Maar ik ben ook geen voetballer van Anderlecht meer. Ik doe zelfs alle moeite om Anderlecht niet doormidden te sabelen. Ik doe het wel hoor, maar heel subtiel, in verkapte vorm. In het voetbalwereldje is men heel snel op de tenen getrapt, je krijgt heel snel ruzie. Ik wil trouwens liever dat de supporters van Anderlecht mij herinneren als voetballer, niet die voetballer die zo'n beetje schrijft. Hoewel ik best trainer had kunnen worden... Ik ken er wel wat van, hoor, ik zie meteen of iemand iets kan. Maar dan krijg je zo'n drie, vier Muldertjes in de ploeg, van die lastpakken, poeh..."

Dan liever langs de zijlijn stukjes schrijven. Jan Mulder, de laatste echte centerfore, zei Kovacs, is nu vijftig, is columnist, is artiest, is schilder. Jan Mulder: "Ik moest iets doen, ik kon niet zomaar rentenieren. Ik werd goed betaald, maar dat was in die tijd niet voldoende om de rest van je leven op je krent te zitten. En nu weet ik wel dat ik een leuk stukje op papier kan zetten, zoveel gevoel van eigenwaarde heb ik wel."

Hoe serieus is hij nog? Ooit bood Verschueren hem een baan aan. 'Ja, enkele jaren geleden, het stond in 'De Telegraaf'. Hij had dat op een jeugdtoernooi in Den Haag tegen een journalist laten vallen. Daarop zei ik: minstens twintig miljoen frank per jaar (lacht). Ach, dat was totaal niks voor mij. Wat moet ik in zo'n bureau? Alleen als Anderlecht mij sommeert als supervisor terreinverzorging ga ik. Mijn probleem is dat ik meer kan dan Michel Verschueren en Vanden Stock, en dat is niet goed. Niet doen!... (lacht)"
Misschien moet hij de erevoorzitter van de vriendenclub van de ex-vedetten worden. "Dat zit niet in mij, vrees ik. Maar zo eens een bijeenkomst, dat zou deel moeten uitmaken van het clubleven. Als ik op de tribune zit, heb ik dat wel. Dan herken ik dat gevoel van die grote wedstrijden, het gevoel van de ex-voetballer. Dat is een heel schizofreen gedoe, hoor."

Neen, Jan Mulder en Anderlecht, dat moet blijven zoals het is. Onvoorwaardelijke trouw: "Als ik ze nu bezig zie, dan krijg ik nog steeds dat heerlijke gevoel: ik ben een Anderlechtenaar. En dat beschouw ik als een eer." Het is niet meer hetzelfde, maar dat is niet erg. "Mijn gevoel voor Anderlecht is toch veel groter dan dat van Degryse. Maar misschien overschat ik dat zelf wel. Ik heb niet zoals Rensenbrink of Van Himst de club groter gemaakt. Eigenlijk ben ik een soort buitenbeentje in die rij grootheden. Maar Youri Mulder zal op Anderlecht nooit beter doen dan zijn vader. Daar steek ik wel een stokje voor... (schatert)."