End of an era
Phóenix semper pérvivet

Coeck, Ludo Stats

Ook Juan Lozano had ongetwijfeld kunnen getuigen over het leven van en naast Ludo Coeck, bijgenaamd Ludo Boum, de rijzige middenvelder die op zijn dertigste jammerlijk verongelukte en naar wie kort daarna het Antwerpse toernooi Ludo Coeck werd genoemd. De Spaanse Antwerpenaar had dan mooie verhalen kunnen vertellen over hun vriendschap, over het Cederhof in Wilrijk, waar beide rasvoetballers tussen de trainingsuren zo graag gingen biljarten, over de talrijke vrolijke avonden die ze samen hebben meegemaakt, over de vele voetbalsuccessen die ze hebben gedeeld. Maar Lozano heeft zijn eigen verhaal, en daarin krijgt Coeck zijn eigen hoofdstuk, wat het mooiste eresaluut is dat hij aan zijn overleden vriend kon geven.

Want er was ook Raymond Goethals. Ook hij was een bevoorrechte getuige in het voetballeven van Ludo. "Je kon niet beter kiezen," zegt hij daar zelf over. "De Ludo heeft bij mij eigenlijk zijn weg gemaakt. Eerst bij de Uefa's, dan bij de nationale ploeg en later, vanaf '76, nog drie jaar bij Anderlecht, hij was toen nog maar 21 jaar." De elegante middenvelder behoorde toen al tot de groten van het Belgische voetbal: zijn carrière was al vijf jaar eerder begonnen. Goethals: "Ik heb hem leren kennen toen ik trainer was van de nationale ploegen. Ik deed ze toen allemaal: de Uefa's, de beloften, de B-ploeg en de A-ploeg. In die periode begonnen we trouwens ook met de provinciale selecties. Ludo was vijftien, speelde bij de juniores van Berchem, achter den terrain, ik heb hem gepakt bij de Uefa's. Met die ploeg hebben we ons in een zware reeks, met Spanje en Portugal, gekwalificeerd voor het EK in Italië, geloof ik. In die ploeg speelden, behalve Coeck, Swat Van der Elst, Jos Daerden, Debougnoux,... een dikke ploeg. Dat jaar kwam Ludo door zijn prestaties met de nationale Uefa's ook in de eerste ploeg van Berchem, Rik Coppens was er toen trainer, denk ik. Een paar maanden later al haalde Anderlecht hem weg, je kunt dus zeggen dat ik hem voor hen ben gaan halen. Hij had alles: een formidabele traptechniek, een uitstekende pas, een postuur, kopspel, intelligentie... Kortom: een geboren talent. Toen liet hij al grote momenten zien. Hij kon een pas geven vanop dertig of veertig meter op je neus. Hij was toen ook al een plezante gast. Hij had plezier met niks. En hij kon nogal lachen. Zonder te willen zeggen dat hij een bon vivant was, ik weet niet hoe hij privé was... (peinzend) Ik ben nog op zijn trouwfeest geweest, later is hij gescheiden, geloof ik... De Ludo, ik heb veel plezier aan die jongen gehad. We hadden een heel goed contact. Maar het was dan ook moeilijk om dat met een jongen als Ludo niet te hebben." Want Ludo, joviaal en goedlachs, veroverde harten. De modieuze en goedogende Antwerpenaar was ontegensprekelijk een levensgenieter die graag en veel en vooral hard lachte, zijn bulderlach was zijn handelskenmerk, "dat pakken ze mij nooit af," placht hij te zeggen.

Al van kleinsaf droomde Coeck (25 september 1955) van een voetbalcarrière. Het bekende verhaal: het beste voetballertje op straat, op zijn negende bij Berchem Sport en amper zestien jaar toen hij er debuteerde in het eerste elftal. Tegen Beringen was dat, hij maakte ook meteen een goal. Zoveel talent mocht Anderlecht zich niet laten ontglippen, maar zijn vader zag liever zijn zoon wat langer op het Rooi, ook om hem in de gelegenheid te stellen zijn middelbare studies te kunnen afmaken. Maar Vanden Stock zwaaide met een loonbriefje van 10.000 frank per maand, Ludo zou door een privé-chauffeur worden opgehaald en de clubs hadden al een overeenkomst. Het werd Anderlecht. Waar de middenvelder het aanvankelijk moeilijk kreeg, het zou nog enkele maanden duren vooraleer hij een plaatsje in het eerste elftal kon afdwingen. Half november 1972 debuteerde hij tegen Standard Luik, hij speelde een schitterende wedstrijd. Goethals: "Hij was pas zeventien, zeker? In een ploeg die veel sterker is en waarin je goed geëncadreerd wordt, kon dat. Nu is dat al veel moeilijker. Nu is het meer atletiek, meer fysiek. Maar de Ludo was een werker, zelfs op training, een vedette avant la lettre, maar anders. Een echte prof die altijd zijn match speelde."

Coeck, die in zijn kinderjaren steeds Gianni Rivera als groot idool had, was een begenadigde middenvelder met een uitstekende kijk op het spel, met zowel defensieve als offensieve kwaliteiten, een uitstekende lange pas en een schitterend en loodzwaar schot, vooral in zijn linker. Niet voor niets had hij in zijn jeugdjaren al de bijnaam Ludo Boum. Overigens kon hij op meerdere posities spelen: in zijn eerste jaar op Anderlecht speelde hij zowat overal, bij de nationale ploeg profileerde hij zich meermaals tot een echte spelmaker. Goethals: "Neen, hij was geen numéro dix, die spelen vlak achter de spitsen. Hij was meer een nummer zes." Ivic schoof hem liever wat meer achteruit, Van Himst zag hem weer offensiever. Na het vertrek van Ivic liet Coeck in elk geval noteren: "Ivic zei: Ludo, als je achteraan speelt, krijgen wij per seizoen tien doelpunten minder tegen. Van Himst echter: "Met Coeck in het middenveld maken we tien goals meer." Goethals: "Met zune traptechniek moet zo'n speler op dertig, veertig meter van de goal voetballen, zonder meer."

Elf jaar zou hij bij Anderlecht blijven, van '72 tot '83. Palmares: twee landstitels, vier bekers, en vooral: vier Europese bekerfinales. In '76 4-2 winst tegen West Ham, in '77 2-0 verlies tegen Hamburg, in '78 4-0 winst tegen Austria Wien en in '83 winst tegen Benfica (1-0 en 1-1). Meteen na die laatste finale trok hij naar Inter Milaan, hij behoorde tot de klasse Europese voetballers waar ook clubs als AC Milan en Lazio Roma interesse voor hadden. Maar Coeck, die ook 46 keer international werd, met als hoogtepunt de openingswedstrijd tegen Argentinië op het WK '82, zou zich nooit helemaal kunnen bewijzen in het Calcio. In november '83, in een interland in het Zwitserse Bern, werd zijn enkel zwaar aangetrapt. In januari drong een operatie zich op, en het seizoen was meteen finaal ten einde voor de Interista. Het volgende jaar wilde Inter de Belg uitlenen aan Ascoli, maar hij bleef sukkelen met die enkel. De optie viel op 1 november weg en hij onderging in december 1984 in Italië een nieuwe enkeloperatie. Het werd uiteindelijk nog een ingewikkelde kluif voor de verzekeringsmaatschappijen. Los daarvan bleef vooral de vraag of hij het ooit zou hebben gemaakt in het Calcio.

Goethals: "Men zal nooit weten of hij werkelijk Italië had aangekund. Behalve Grün is daar toch geen enkele Belg geslaagd, hein. Scifo: bij Inter niet gespeeld en bij Torino mocht hij na één jaar al weg, dat zegt genoeg. Geloof me, Italianen weten als geen ander: 't is goed of 't is niet goed. Capello, die Desailly in het middenveld liet spelen, is maar één voorbeeld. Maar of Coeck succes had gehaald in Italië, dat kan ik niet zeggen. Hij was in ons land een grote middenvelder, dat mag ik zeggen. Maar hij heeft niet veel geluk gehad in zijn leven."
Zeg dat wel. Op zijn achttiende had hij al problemen met zijn rug, en hij zou gedurende zijn carrière in totaal vijf operaties ondergaan. Het begon in de finale van de Europacup 2 in '76 met een zware blessure aan de enkel. Na twee jaar gesukkel werd de enkel in mei '78 geopereerd. In juni '79 en september '81 volgden twee knieoperaties, in januari '84 moest opnieuw de linkerenkel onder het mes en in december '84 bleken nog steeds beensplinters in de enkel aanwezig en drong zich nogmaals een operatie op. De lichamelijke problemen hadden trouwens ook te maken met zijn fysionomie: zijn linkervoet was beduidend kleiner dan zijn rechter.

Goethals: "Ik heb hem altijd weten sukkelen met zijn voeten. Eerst die operatie van die grote chirurgijn van Barcelona, Cabot, later volgden er nog veel. Bij Anderlecht speelde hij altijd met drie schoenen. Hij had voor elke wedstrijd een uur nodig om zijn voeten in te tapen. Eenmaal dat klaar trok hij eerst een speciaal gemaakte leren schoen aan én daarboven nog een botte. Hij moest ook heel voorzichtig zijn, na de wedstrijd moest hij rust nemen, kon hij een paar dagen niet trainen."

Maar ondanks al die lichamelijke problemen bleef hij een onverbeterlijke optimist. "Ik heb in veel ziekenhuizen zoveel ergere miserie gezien," zei hij vaak. Maar ook een onverbeterlijke optimist moet buigen voor het noodlot. En dat sloeg onwezenlijk hard toe, die donkere herfstnacht in oktober 1985. Ludo was pas dertig geworden, revalideerde nog steeds in België, had de hoop nog niet opgegeven ooit weer te kunnen voetballen op het hoogste niveau. Maar op de autosnelweg in Rumst miste hij met zijn BMW de bocht; hij had snel en intens maar veel te kort geleefd. De voetbalwereld moest verbijsterd en in diepe treurnis afscheid nemen, niet alleen van een schitterende voetballer, maar ook van een stijlvolle en toch volkse jongen. "Daardoor viel je nooit en nergens uit de toon en was het moeilijk voor om het even wie om je een kwaad hart toe te dragen", klonken de afscheidswoorden.

Goethals: "Het is al meer dan 20 jaar geleden, het gaat toch rap, nietwaar? Ik zat toen in Portugal geloof ik. Ik las het in de krant. Anderlecht verloor een groot talent. In de grote machten stond hij er altijd. De Europese matchen, de Supercup-wedstrijden, tegen Bayern, tegen Liverpool... (nadenkend) In de finale tegen Wenen gaf Ludo de pas aan Van Binst die de derde goal maakte. In Hamburg heeft hij een keer een fameuze match gespeeld. We wonnen met 1-2, hij maakte de eerste goal, en dan een van Rensenbrink in de laatste minuut... Hij kwam van op vijftig meter... Hohoho... Dat zie je niet meer... Ja jong, de Robbie en de Ludo: dat waren nog eens fameuze voetballers..."