End of an era
Phóenix semper pérvivet

Steppé, Eugène

Van Eugène Steppé werd gezegd dat aan zijn brein elke dag een nieuw idee ontsproot waarvan er minstens één per week heel bruikbaar en goed bleek te zijn. Als secretaris-generaal was hij een apart man, niet in twee woorden te beschrijven. Hij had een perfect organisatievermogen, een feeling voor het leggen en houden van internationale contacten, bruisende en innoverende ideeën voor de modernisering van het stadion en het organiseren van feesten en showvoorstellingen. Ooit kwam hij met het plan om ter gelegenheid van een prestigieuze match in het Astridpark de Beatles naar Anderlecht te halen om hen het voorprogramma te laten verzorgen en ze tijdens de rust nog eens op te voeren. Alleen de prijs zal hem daar waarschijnlijk van af gebracht hebben. Hij hield van grootste vuurwerken, waaronder dat van 1958 ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de club één van de meest opgemerkte was, in combinatie met een vriendschappelijke wedstrijd tegen Barcelona.

Hij werd in 1955 door de club naar Hotel Ambassador te Parijs gestuurd waar de Europabeker voor Landskampioenen boven de doopvont werd gehouden. Twaalf jaar later gaf hij op de eerste Ronde Tafelontmoeting ter gelegenheid van diezelfde Europabeker in Monaco een opgemerkte toesprak ten gehore.

Eugène Steppé is geboren en getogen in Anderlecht: geboren op 3 juni 1918. Getogen in het Astridpark, waar hij in 1935 een aansluitingskaart had getekend. Nadat hij op 2 augustus 1952 benoemd was tot secretaris-generaal, gooide hij zich meteen op de organisatie van twee prestigieuze gebeurtenissen: de stichting van de 'Wisselbeker van de Drie Hoofdsteden Theo Verbeeck', waaraan naast Anderlecht ook Arsenal (Londen) en Racing Club de Paris deelnamen. Dan was er ook in samenwerking met de krant Le Soir en de stad Brussel het Festival van Brussel op de Heizel, waar Austria Wien, Tottenham Hotspur, Anderlecht, Honved Budapest en West Bromwich Albion elkaar partij gaven.

In december '56 organiseerde hij in de Ancienne Belgique een immens Sinterklaasfeest voor 450 jeugdspelertjes van paarswit, een hele groep jonge Hongaarse vluchtelingen en Zijne Koninklijke Prins Alexander. In 1961 kwamen Koning Boudewijn en Koningin Fabiola zelf op bezoek in het Astridpark ter gelegenheid van de klassieke topmatch tegen Standard Luik. In 1967 bezocht in het kader van de British Week prinses Margareth het stadion van Anderlecht.

Op het eind van het seizoen '61 nam onder het duo Roosens - Steppé Anderlecht voor het eerst deel aan het prestigieuze 'Grand Tournoi International de Paris', zoals dat chique heette. Terwijl de Franse sportkrant L'Equipe ondermeer Paul Van Himst zou omschrijven als de blanke Pele, won Anderlecht het toernooi in '64 (tegen Borussia Dortmund) en '66 (tegen een fusieploeg Parijs-Sedan).

In 1963 organiseerde Steppé een heleboel activiteiten. Hij nodigde Annie Cordy uit om 'Anderlecht Sports' boven de doopvont te houden, het nagelnieuwe clubblad en bracht het idee aan om een jubileumwedstrijd te organiseren voor spelers die tien jaar goede en trouwe diensten hadden bewezen aan de club. Martin Lippens was het eerste feestvarken. Voor 35.000 toeschouwers en de Tv-camera’s gaf Sporting een Europese selectie partij, waartoe naast Rik Coppens en Fernand Goyvaerts (toen bij Barcelona) ook Joseph Ujlaki (RC Paris), Moulijn en Wiersma (Feyenoord), Hanappi (Rapid Wien), Santisteban (Real Madrid) en Panatinaikov (CDNA Sofia) behoorden. De wedstrijd zou op een 3-3 billijk gelijkspel eindigen, waardoor iedereen tevreden huiswaarts keerde.

Voor het volgende seizoen werd een commissie opgericht die moest aantonen dat in elk individu een potentiële kampioen sluimert waarbij het de taak is van de begeleider om te ontdekken om welk vlak en de persoon verder te begeleiden bij het ontwikkelen van die gave, als voetballer, in het hockey, rugby of wat dan ook.

Een paar maand later kwam Eugène Steppé op het idee om taxibusjes in de omliggende gemeenten te laten rondrijden om supporters op te pikken, die tezelvertijd in de bus hun toegangstickets konden aanschaffen. Toen hij met een ander idee nog verder van de thuisbasis een paarswitte olievlek probeerde te verspreiden, kwam de reactie van andere clubs los. Steppé wilde namelijk opleidingscentra voor toekomstige Anderlechtspelers in de vier uithoeken van het land oprichten, tot groot ongenoegen van bijvoorbeeld secretaris-generaal Roger Petit van Standard Luik, die vond dat de Anderlechtisering van het Belgische voetbal al te ver was doorgedreven. Daarmee verwees hij naar de nationale ploeg die kort tevoren met het volledige Anderlechtelftal was aangetreden in een vriendschappelijke interland.

In '64 kreeg hij de beheerraad mee bij de oprichting van Sportingello, een internaat waar de jonge spelertjes van Sporting die afkomstig waren uit de verre provincies en het buitenland gehuisvest werden op kosten van de club, terwijl een leraar zich om hun opleiding bekommerde.

Ook op Europees voetbalvlak toonde de secretaris-generaal zich gewiekst. Toen in '65 het terrein van het Noord-Ierse Derry City in Londenderry door de UEFA ongeschikt werd bevonden, stelde hij voor om een eenmalige wedstrijd in Brussel te spelen en het resultaat daarvan voor twee wedstrijden te laten tellen. Anderlecht won met 9-0. Het initiatief van de secretaris-generaal kon bij de UEFA op weinig sympathie rekenen, het leverde de Brusselse club een boete op. Maar die werd met de glimlach betaald: paarswit ging een ronde verder en trof daar het zeer aantrekkelijke Real Madrid.

Een jaar na het tragische ongeval waarbij Laurent Verbiest het leven liet, organiseerde Steppé een benefietmatch tegen Ajax Amsterdam, terwijl hij tezelfdertijd een ontroerend afscheid organiseerde voor verzorger Jean Bauwens die na 33 jaar trouwe dienst de club verliet.

Eén van de laatste initiatieven werd bedacht met de naam 'Een kus voor de Paarsen', waarbij in een all-Anderlecht-ontmoeting voetballers, hockeyers en rugbyman elkaar aanpakten op het terrein, waarbij de opbrengst naar de sporttakken ging die het minst inkomsten hadden.

Op 31 mei 1970 stapte Eugène Steppé het Astridpark uit, zoals steeds een cigarillo in de mond, met een donkere bril. Amper een maand later stapte hij over naar Racing White, waarna hij in '72 voormalig Anderlechtbeheerder Jacques Lamote volgde toen die voorzitter werd van Olympic Charleroi. Daar was zijn verblijf van korte duur, want al het jaar nadien stond hij terug in Brussel, bij RWDM. Ook Olympique Marseille, waar men hem nog kende van enkele smakelijke anekdotes van een paar jaar tevoren, hengelde even naar zijn diensten, maar na een korte inspectie ter plaatse besliste Eugène Steppé toch in België te blijven waar hij vanaf 31 januari 1975 opnieuw het Astridpark zou binnenstappen.

Maar goed, we hadden u een anekdote beloofd vanuit Marseille. Die dateert uit 1946, toen Sporting zijn eerste buitenlandse verplaatsing maakte na de oorlog. Het was, zo vertelt hij zelf, nogal een bewogen reis: "We vertrokken met een goede kliek van het bestuur en aangezien we ook een goede kliek spelers hadden - een noodzakelijke vereiste als je ergens wil gaan voetballen - vormden we nogal een bont gezelschap. We trokken met zijn allen in een hotel in de buurt van Hyères in en dat hebben ze daar geweten. 's Anderdaags hadden we de hoteleigenaar al zodanig verwend dat hij ons totaal kapot kwam smeken om alstublieft te verhuizen en ergens anders onderdak te zoeken, we moesten hem helemaal niet betalen. Daar voelden we weinig voor omdat we voor die avond een bal georganiseerd hadden. Beneden het hotel, juist. Eén van onze beheerraadsleden, een goede vriend van me, was een begenadigde pianist. Voldoende talent om een aankondiging op te hangen: Grande Soirée dansante met orkest, een organisatie van Sporting Anderlecht. Het werd een grandioze avond, weliswaar ontsierd door enkele harde woorden met een paar jongemannen uit de streek, maar de hele bedoening had onze jongens in een zodanig goed humeur gebracht dat ze 's anderdaags nog eens met 1-6 de vloer aanveegden met Olympique Marseille. Waarop de fier terug keerden naar Hyères. Daar stond de hoteleigenaar ons met open armen op te wachten, hij herinnerde zich niets meer van de overlast die we hem tevoren hadden aangedaan, want het bal had hem een aanzienlijke winstmarge opgeleverd. Hij drong zelfs aan bij François Emmerickx, onze pianist, om nog een recital ten beste te geven. Toen we vernamen dat de maître d’hôtel uitstekend klarinet speelde, drongen we er op aan dat hij zijn instrument zou gaan halen, opdat ze samen konden spelen, De goede man kwam helemaal in het wit gekleed de trap afgedaald met zijn instrument in de hand. Hoe die smeerlappen het geflikt hebben, weet ik nog altijd niet, maar terwijl de man een eerste muziekfragment uitkoos, hadden ze zijn instrument volgestopt met roet. Toen ze beslisten om Cavaliera Rusticana in te zetten, haalde de man diep adem en blies voor de eerste kaar hard. Ik kan u zeggen dat hij die avond nogal wat heeft afgeblazen..."

Het verhaal dat hij aan zijn kleinzoon-journalist Serge Trimpont vertelde die dat weergaf in zijn boek Anderlecht, Vingt Couronnes sous la Loupe, mocht er ook zijn. Het situeert zich in mei '58 toen Anderlecht ter gelegenheid van het 65-jarig bestaan van Leopold Club Brussel Juventus (met Boniperti, Sivori, John Charles) partij gaf. Bij Anderlecht debuteerde een jonge Limburger, Fritz Vandenboer. Het was om meer dan één reden een opmerkelijk debuut.

"Ik had met Fritz afgesproken dat hij zich kort na de middag zou aanbieden aan het stadion aan de eeuwfeestpaleizen. Nu had de jongen nog nooit een voet in Brussel gezet, zelfs de hoofdstad niet eens van ver gezien. Toen hij vanuit zijn woonplaats Lommel met de trein in hartje Brussel aanbelandde, voelde hij zich reddeloos verloren. In volle paniek liep hij zich de benen van onder het lijf op zoek naar een tram of bus die hem naar de andere kant van de stad kon brengen. Zo kwam hij een half uur voor de aftrap over de Houba De Strooperlaan aangerend, terwijl de spelers zich al op het veld aan het opwarmen waren en ikzelf al geen druppel zweet meer over had van de zenuwen. Ik had nogal wat redenen om me op te winden, want ik was degene die de komst van de jongeman geregeld had, helemaal op mijn eentje, tegen het scepticisme van een aantal collega-beheerders in. Bij een prospectie in Limburg stond ik versteld toen ik de trefkracht van die pure linkspoot zag, ik was overdonderd en had al de moeite van de wereld om de dirigenten van Overpelt te overtuigen om hem af te staan, terwijl ook Waterschei en Beringen op de deur stonden te bonken. Alleen in eigen rangen was men niet zo overtuigd van de waarde van de aankoop, niemand had ooit van de jongen gehoord, ze zouden nog wel zien. Je kunt je dus voorstellen hoe ellendig ik me voelde toen ik niemand zag opdagen. Ik had nog één kans: hij moest op het veld laten zien dat ik me niet vergist had. Terwijl Fritz inderhaast een trui over zijn schouder trok en schoenen half dicht knoopte, stormde ik het terrein op richting trainer Bill Gormlie en gebood hem zonder tegenspraak en zeer autoritair om de jongen hoe dan ook van bij de aftrap in de ploeg te zetten. Niet begrijpend en half boos gaf Bill toe. Een paar minuten later haalde Fritz hard uit met zijn linker en scoorde daarmee zijn eerste goal voor Sporting dat met 4-1 zou winnen. De jongen had nog nooit één van zijn medespelers van dichtbij gezien, had niet de kans gekregen om zich op te warmen, maar stapte in de match met hetzelfde gemak als waarmee hij thuis binnenstapte. Formidabel.