End of an era
Phóenix semper pérvivet

Meert, Henri

"Afspraak in mijn vroeger café," had hij gezegd. "Je weet wel, rechtover het stadion," herinnerde hij nog een keer. Het is al eeuwenlang een Anderlecht-café: Rie Meert, geboren in Schaarbeek in 1920 en zoon in een familie met negen kinderen, en zijn vrouw Lisette stonden er 23 jaar achter de toog, en voor hen tapte er de acrobatische verdediger Georges Caelenberg, ook ex-Anderlechtspeler. Rie, ontspannen, draagt een donkere bril, zegt last te hebben van migraine, maar is nog steeds, geheel zoals de legende het wil, dezelfde vrolijkerd.

Nog steeds haalt hij nog graag herinneringen boven. Hij vergeet soms wel eens wat, maar lacht dan: het is graaf, of begrepen, pa?... En hij woont nog steeds dicht bij zijn club. "Nog een beetje dichter dan vroeger zelfs," vertelt hij. "Ik was pas twee jaar toen mijn ouders in de Neerpedestraat gingen wonen. Elke dag passeerden hier paard-en-karren met brood van de bakkerij, vlak achter het hospitaal.

Toen ik 8 jaar was schreef ik mij samen met mijn kameraadjes in op Anderlecht. Bij de kadetten speelde ik centerfore... tot we genoeg voorstonden, dan ging ik in de goal staan, en zo wonnen we dan (lacht). Alleen op Union liep het een keer ferm verkeerd, ik kreeg toen zo'n 20 goals rond mijn oren, vooral van ene Boentje, die een moordend schot had. Op Beerschot, de finale van het Belgische kampioenschap juniores tegen Lierse, was onze doelman Emile Lacroix geblesseerd en startte ik in de goal. Ik speelde een heel goede wedstrijd en was meteen definitief vertrokken als keeper. Er zat trouwens nogal wat talent in die lichting: Michel Van Vaerenberg, Jef Vernimmen en Lucien Van Cottem, een vliegenier, zijn maar een paar voorbeelden. De trainer, de Brit Ernest Smith, was de beste die ik heb gekend. Hij kon alles voortonen, leerde mij met dropshots beter en preciezer te dechargeren, zodat mijn uittrappen in de voeten van ploegmaten belandden. Behalve dan die keer op Lierse, toen ik zo hard intrapte dat de bal over het hele terrein vloog en in de tuin van een buurman terecht kwam, waarop die weigerde de bal terug te geven..."

Meert was niet alleen doelman, hij kaatste ook op hoog niveau, bij 'Les amis de Sporting', op het Wayezplein, en bij Braine-le-Comte, in de hoogste divisie. Hij was een uitstekende achterman of grootmidden, nu nog beweert hij dat zijn kaatsen hem sterk heeft geholpen een betere doelman te worden. "Vooral mijn placement verbeterde: het is niet gemakkelijk om zich in te stellen op het traject van een klein balletje dat vanaf 70 meter op je afkomt. Dat placement werd trouwens mijn sterkte, ik plongeerde alleen wanneer het echt nodig was, nooit voor de galerij. Ik moest zeker zijn."

Leerling-kapper Rie, die in zijn beginjaren vooral Nolle Badjou, de doelman van Daring bewonderde, werd junioresinternational in '38-'39, maar kwam pas na 7 jaar bankzitten, op zijn 32ste, in het eerste elftal van Sporting. Jean Mertens was toen de nummer 1, maar in een match tegen White Star kreeg hij zijn kans. "Mertens kon niet komen omdat de wijk in Zele waar hij woonde gebombardeerd was. Ik kon mij meteen doen gelden door een strafschop te stoppen van Arsène Vaillant, later bekend RTBF-commentator. Ik heb nog dikwijls tegenover Vaillant gestaan, hij was een fameuze centerfore: een zwaar schot in beide voeten, een heel goede détendre, een sterk kopspel. Volgens mij was hij zelfs een betere midvoor dan Mermans, maar het is natuurlijk ook wel zo dat ik nooit tegen Jef heb gespeeld, ik weet niet hoeveel schrik de andere keepers van hem hadden. Ik heb nog wel samengespeeld met Vaillant, eerst in de eerste naoorlogse interland Frankrijk - België, met Kerstmis 1944, later bij Anderlecht. Hij was een heel intelligente voetballer, dat bewees zijn terugkeer in de nationale ploeg als rechtsachter."
Na zijn debuut op White moest Rie echter weer plaats maken voor Mertens. Maar die bleek toch niet meer dezelfde en na 5 wedstrijden schreeuwde het publiek Meert, bekend om zijn pet, opnieuw in het eerste elftal. Hij zou er ... 18 jaar blijven staan. "Uitgezonderd dan de periodes waarin ik geblesseerd was. En dat was alles samen toch een aantal maanden: 2 meniscusblessures, 2 hernia's, een operatie aan de appendix. Ik mag zeggen dat ik in mijn hele carrière bij Anderlecht 8 titels heb gewonnen, maar daar waren maar 6 volledige bij. De andere 2 waren halve, de helft van de tijd lag ik in het ziekenhuis."

Eerst trainde hij onder het Belgische trio Max Well, Krumme Mile (Emile Defevere) en Cassis Adams, maar de eerste titel die hij won was onder de Fransman Georges Périno, in '46-'47. Meert, lachend: "Hij kon zelf tegen geen bal trappen, dat was graaf, maar als organisator was hij perfect. Hij kon praten als geen ander. Een echte Fransman: praten, stimuleren, de moraal opkrikken. Ik weet niet waar hij vandaan kwam, maar zeker is dat hij een flink aandeel had in dat eerste succes. De tweede titel volgde in '49, de hele ploeg werd toen ontvangen op het stadhuis, bij burgemeester Bracops. Dat was de start van de eerste triple van Anderlecht: ook in '50 en '51 werden we kampioen. In die jaren hebben we nogal wat recepties afgelopen (lacht). Na Périno volgden 2 Britse trainers: eerst Ernest Smith en daarna Bill Gormlie. Een specifieke keeperstrainer heb ik echter nooit gekend, dat bestond in die periode nog niet. Ik herinner mij wel mijn reservedoelmannen: eerst Pierrot Figeys, zeer sterk op zijn lijn, en daarna Felix Week."

Diezelfde Week stond ook in het doel toen Sporting op het veld van Manchester United met 10-0 verloor ('57), Meert zat toen op de bank. Omwille van blessures had hij in het seizoen '55-'56 ook al de eerste Europese wedstrijden van Anderlecht gemist (tegen Voros Lobogo), maar in het seizoen '57-'58 volgde dan toch zijn Europees debuut, op de gezegende leeftijd van...39 jaar, op het veld van Glasgow Rangers. Hij was toen eigenlijk al half op pensioen, maar omdat Week geblesseerd was en men de jonge Jean Trappeniers niet voor de wilde Schotse leeuwen durfde gooien, kwam men terecht bij Meert. Die zei ja, natuurlijk, "En als we er een goed resultaat neerzetten, keer ik terug in een kilt," beloofde hij. Maar het zou anders uitdraaien. Meert: "De match was nog maar 12 minuten bezig toen ik zwaar aan het hoofd werd geraakt door hun centerfore, Millar heette hij, geloof ik. Ik zag overal sterretjes, maar ik zwoer bij mezelf dat ik de match zou uitspelen. Dat deed ik ook, ik devieerde zelfs nog 2 strafschoppen die dan wel nog werden binnengetrapt. Na de wedstrijd moest ik evenwel meteen naar de intensive care van het plaatselijke ziekenhuis worden gevoerd. Ik weet wel nog dat ik de wedstrijdbal te pakken had gekregen en dat ik die niet wilde lossen (lacht). Ik mocht pas 's anderendaags dat ziekenhuis verlaten, ik heb daarna nog enkele dagen op een donkere kamer moeten liggen, boven het café. Maar voor de terugwedstrijd, 2 weken later, was ik weer helemaal fit. Ik weet nog dat onze rechtsback, Jacques Culot, één van die Schotse aanvallers in de balustrade keilde, die speelde daarna gewoon met een band rond zijn hoofd weer verder."

Mooie herinneringen. Een van de grootste momenten uit de geschiedenis van Sporting, zeker voor Rie Meert, was een wedstrijd in Londen, op Highbury, de thuishaven van Arsenal. Dat was op 21 oktober 1953. Meert: "Een onvergetelijke avond. Voor de vriendschappelijke wedstrijd op Arsenal waren we diezelfde dag met de hele ploeg op Wembley uitgenodigd, voor een wedstrijd tussen de Engelse nationale ploeg en een selectie van de FIFA, ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van de Engelse voetbalbond. Dat was 's namiddags, we moesten nog voor het einde van de wedstrijd vertrekken om op tijd op Arsenal te arriveren, Arsenal was toen trouwens Engels kampioen. Toen we daar aankwamen zat er geen kat in het stadion, maar tegen dat de wedstrijd op gang werd gefloten zat het er eivol. We wonnen met 2-3, het was de eerste keer in 90 jaar dat de Gunners thuis verloren van een buitenlandse ploeg. We stonden nochtans voortdurend onder druk, ik zie mij nog in mijn doel heen en weer springen, ze bleven maar aanvallen. En ik had al snel begrepen dat ik mijn lijf en leden goed moest beschermen, die Engelsen waren in staat mij met bal en al in het doel te kegelen. Ik had toen al een mooie carrière achter de rug, maar ik moet zeggen dat ik die avond nog veel bijgeleerd heb (lacht). In elk geval: we hielden stand, ik weet nog dat ik mij in de euforie die erop volgde helemaal liet uitkleden. Het was graaf... We dankten die zege trouwens ook aan het werk van stopper Wim Dekoster en van de middenvelder Susse Degelas, die echt op zijn Engels hadden gespeeld."

In die periode waren dergelijke vriendschappelijke wedstrijden heel courant, Anderlecht reisde toen de hele wereld rond. Tot in Rusland, tot in Belgisch-Congo ook. Daar werd in Leopoldstad nogal een feestje opgezet. Meert, nog nagenietend: "Marcel Decorte was al een tijdje weg bij Anderlecht en verbleef in die periode in Leo, maar die matchen in Afrika speelde hij natuurlijk met ons. Verschillende van die zwarte jongens speelden zelfs met shirts waarop in grote letters Mermans of Meert stond... Ambiance, natuurlijk. Op een pleintje in Leopoldstad hebben we zelfs nog een kaatswedstrijd gespeeld, kleine Afrikaantjes hielden in het zand de stand bij. En dan die oversteek van de Kongostroom, naar Brazzaville... Een onvergetelijke reis."

En dan is er de nationale ploeg. Tussen 1944 en 1957 haalde de Anderlecht-doelman 33 A-Caps, hij had er respectievelijk François Demol, Bill Gormlie, Dugall Livingstone en André Vandeweyer als trainer. Een van zijn merkwaardigste wedstrijden was de symbolische ontmoeting tussen Frankrijk en België op kerstdag 1944 in Parijs, een wedstrijd in het teken van de hernieuwde internationale relaties na Wereldoorlog II. "Een treinreis in moeilijke omstandigheden," vertelt Rie. "En kolen waren toen nog heel zeldzaam, zodat zowel het hotel als de vestiaires nauwelijks verwarmd waren. Warme douches waren er ook niet bij, alleen een beetje warm water, ik herinner me dat we vlak voor de aftrap nog snel even onze voeten in een emmer warm water staken. Een onvergetelijke expeditie in elk geval."

Hoewel hij bij de Rode Duivels moest opboksen tegen de concurrentie van François Daenen (Tilleur Luik) en van Pol Gernaey (Oostende), zette Meert in de nationale ploeg een aantal schitterende prestaties neer. "Die wedstrijden waren voor mij uitstekende gelegenheden om mij wat op het voorplan te spelen. Ik kreeg altijd veel werk, een keeper heeft dat graag. We speelden toen trouwens ook vaak met een ploeg van onafhankelijken (toen een statuut tussen amateur en niet-amateur) tegen een team profs." In zijn café hing lang een grote actiefoto van zichzelf, gestrekt horizontaal, genomen tijdens de interland op de Heizel tegen Italië (2-0). "Misschien was dat één van mijn beste wedstrijden, maar ik herinner me ook nog andere. Het vriendschappelijke treffen van San Lorenzo Almagro, bijvoorbeeld. En dan die match tegen Italië, in Bari. Ik pakte alles, tot de 89ste minuut, toen kon Gianpiero Boniperti, hoe zou ik die naam ooit vergeten, mij met een gekraakt schot, een echte klutsbal, toch nog kon kloppen. Diezelfde Boniperti zou trouwens later een van de grote patrons van Juventus worden. Ik herinner mij ook nog een 1-1 gelijkspel tegen Spanje, in Barcelona. De supporters werden toen helemaal gek. Ze volgden ons naar het hotel waar ik op de schouders werd rondgedragen. Dat was graaf. We zijn toen met zijn allen gezellig op stap geweest in de stad, maar pas op hé, pa, fatsoenlijk hoor... (grijnst). Deze jongen heeft zich altijd voor honderd procent gesoigneerd.

Maar deze jongen hield ook van grappen maken. Daar was ooit een hele pub in Dublin getuige van. Meert: "Ik zat er met Arsène Vaillant en een hele groep matrozen. De sfeer was prima en nadat de baas een rondje had betaald, vond Arsène, die goed Engels sprak, het tijd voor een weddenschap: ik wed dat mijn copain hier zo hoog kan springen dat hij het plafond raakt. Dat plafond was nogal hoog, niemand geloofde dat het kon. Bij mijn eerste sprong hield ik nog wat in, bleef nog een meter van dat plafond verwijderd, iedereen wreef zich al lachend in de handen. Maar de tweede keer plofte ik carrément mijn hand tegen het plafond. Het werd een goedkope avond..."

Na zijn loopbaan wilde hij trainer worden, maar gezien zijn bezigheden in het café werd dat moeilijk. Toch heeft hij Lierse nog een keer van de degradatie gered. Hij had niet de minste ervaring, maar hij kon de spelers overtuigen: Henri is er, nu zal't gaan. "Geleerd van Smith," legde hij uit. "Later heb ik bij SK Beveren nog Jean-Marie Pfaff getraind. Hij drong aan op extra trainingen, met veel moeite kon ik mij 's middags vrij maken. Hij is met Preud'homme een van de grootste keepers van het Belgische voetbal geworden."

Meert overleed op 19 mei 2006.